Stephan Veldman: orthopedagoog

Hij heeft net samen met de jongens gegeten. Stevige kost. Stoere praat. Onderlinge geintjes. Orthopedagoog Stephan Veldman (1988) geniet daarvan. Doet mee. ‘We acteren op hetzelfde niveau. Dat is wat we doen. We staan er niet boven, zitten ook letterlijk dicht op elkaar. Dan krijg je rechtstreeks contact, dat schept een band. En als je die band een keer hebt, dan kun je helpen als dat nodig is.’

Het is voor hem meer hobby dan werk, zegt de gedragsdeskundige, verantwoordelijk voor de behandelplannen op alle Oranjeborg-locaties. Hij helpt door het leven geknakte mannen weer zelfvertrouwen te geven. Eigenwaarde. Geloof in zichzelf. ‘Sommigen komen van heel ver, hè? Die zijn overal en nergens uitgespuugd. Niet meer welkom in de maatschappij. Die staan hier dan voor de deur met een vuilniszak met daarin hun enige bezittingen. Als je dan ziet dat die na een tijdje opfleuren. Op tijd opstaan, zich douchen. Eten. Basale dingen, die ze kwijt waren geraakt, of misschien wel nooit hebben gekend. Dat vind ik oprecht fantastisch.’

Juist omdat hij dagelijks tussen de cliënten woont, leeft en werkt kan hij aan de basis observeren, monitoren. Stephan Veldman weet wat er speelt, kent de achtergronden. Kan daardoor de werkplannen naadloos laten aansluiten bij de behoefte. Bij de problemen én het karakter van z’n cliënt. Maatwerk. ‘Wat is belangrijk om jou er vandaag weer goed bij te laten lopen.’ Dat is wat hij zich dagelijks afvraagt. Is doorverwijzing naar een psychiater nodig of niet? Heeft een therapie echt wel meerwaarde? ‘Er zijn jongens bij die al vijf instellingen met allerlei therapieën achter de rug hebben. Zonder succes. Worden ze daar in hun zesde instelling dan wel beter van? Dat vragen we ons serieus af. Wij vinden de kwaliteit van leven in het hier en nu het allerbelangrijkst. En daar zetten we stevig op in.’

Stevig inzetten op de kwaliteit van leven

Geduld. Dat is waar het om draait. En begrip. Soms een stevige aanpak, durven beslissen: tot zo en niet verder. ‘Iedereen hier heeft doelen. En ze zitten hier vrijwillig. Als er een nieuwe cliënt is binnengekomen met verhalen over de buitenwereld, willen ineens zes man op zichzelf wonen. Dan is het dansen op het slappe koord, want dat doel is in veel gevallen te hoog gegrepen. Je moet hen niet onderschatten, maar zeker ook niet overschatten. Doe je iemand een plezier met een teveel aan toegenomen vrijheid? Grote kans dat je hem drie maand later terugziet in een toestand die je liever niet zou willen. Dus moet je hem op een zorgvolle manier duidelijk maken wat de gevolgen van zijn keuze zijn; en dan hopen dat hij de juiste maakt.’

Maar lijkt een doel wél haalbaar, dan wordt eraan gewerkt. Samen. Wil iemand het contact met z’n familie herstellen? Daar gaan we dan, stapje voor stapje. ‘Babystapjes’, geeft Veldman aan, ‘maar ook dat zijn stapjes.’ En als dat dan is gelukt en de familie zegt: ‘Hij heeft er nog nooit zo goed bijgelopen’, ja, dan is ‘ie trots. Niet op zichzelf. Op z’n cliënt.